I God en het kwaad - de aanklacht

Een vuist naar de hemel!
De aanklacht van het protest-atheïsme en de God van zondag 10


“Plotseling weet hij het zeker, ja met die onwrikbare zekerheid waarover calvinisten altijd praten, dat het christendom bedrog is, ja, dat het hele leven een laaghartige leugen is en dat ergens ver weg in het heelal nu god satanisch lacht om mijn verdriet, de god van zondag 10 die met vaderlijke hand mijn moeder een krankheid heeft doen toekomen, een voorsmaak van het lijden in de hel. Zo is god, de god van de Heidelbergse Catechismus, de god die mensen zo intens haat dat hij keelkanker voor ze heeft uitgevonden. Zelfs mensen zijn niet in staat elkaar op zo'n laaghartige wijze te vermoorden als god kan met behulp van deze ziekte”
Maarten ‘t Hart

Het kwaad is één van de grootste problemen van het menselijk bestaan. Iedereen, elk individu, krijgt er mee te maken en het raakt mensen in de diepste grond van hun bestaan. Elke dag krijgen we te maken met het kwaad, groot of klein. Men hoeft de krant maar open te slaan en men leest over moorden, ongelukken, aardbevingen, aanslagen enzovoorts. In de wereld wordt veel geleden. In al dit lijden wordt vaak de vraag naar de rol van God gesteld. God wordt ter verantwoording geroepen en Hem wordt van alles verweten. Als het kwaad toeslaat heft men ogenblikkelijk de vuist naar boven en geeft men God de schuld. Bovenstaand citaat van Maarten ’t Hart vormt hier wel een zeer schrijnend voorbeeld van. In dit artikel wil ik nader ingaan op deze verwijten en er een antwoord op proberen te vinden. Dit artikel is het eerste in een serie van drie. In het tweede artikel wil ik ingaan op de theologische vragen omtrent God en het kwaad en in het derde artikel hoop ik enkele lijnen te schetsen over hoe wij als christenen praktisch met het kwaad om kunnen gaan.

1. De realiteit van het kwaad
Voor we ingaan op de verwijten die men God maakt, is het allereerst van belang dat we ons bewust zijn van de ernst van het kwaad. Het kwaad is niet zomaar iets, maar het is een verschrikkelijke realiteit. Als voorbeeld van waar het kwaad, in zijn ergste vorm, toe in staat is, wil ik een gedeelte citeren uit De gebroeders Karamazov van de Russische schrijver Dostojewski. Een van de hoofdpersonen, Ivan, vertelt over hoe de Turken huisgehouden hebben in Bulgarije. Men dient te beseffen dat dit een waar gebeurd verhaal is. Hij vertelt het volgende:
Die Turken hadden er onder andere een wellust in om kinderen te martelen. Ze sneden ze met een kromzwaard uit het moederlijf; zuigelingen gooiden ze in de lucht om ze dan op de bajonet op te vangen voor de ogen van de moeders, een heel programma zoals je ziet. Voor de ogen van de moeders, dat vormde het toppunt van genot voor ze. Maar het volgende tafereeltje heeft mij het meest getroffen. Stel je voor: een kleuter op de arm van een bevende moeder en daaromheen Turken. Ze hadden een reuze geintje uitgedacht: ze halen het kind aan en lachen om ook het kind aan het lachen te krijgen. En ja hoor, de kleuter lachte. Op dat ogenblik richt een Turk op korte afstand een pistool op het kind z’n snuitje. Het kind schatert van plezier en strekt zijn handjes uit om het pistool te pakken en opeens haalt de artiest de trekker over en verbrijzelt het hoofdje… Wat een raffinement hè?”
Dit is dus waar het kwaad toe in staat is en elke oplossing of antwoord wat we geven zal hier rekening mee moeten houden. Iedereen leeft in een wereld waarin dit soort zaken aan de orde van de dag zijn.

2. Protest-atheïsme
De aanklacht van Maarten ’t Hart staat niet op zichzelf. Een zelfde soort aanklacht komen we op meerdere momenten in de wereldliteratuur tegen. Ook De gebroeders Karamazov bevat een dergelijke aanklacht. Naast het bovengenoemde verhaal geeft Ivan nog enkele voorbeelden van het kwaad en hij komt tenslotte tot de conclusie dat hij zo’n God niet wil en niet mag dienen. Als dit soort lijden nodig is voor de eeuwige harmonie, de eeuwige gelukzaligheid, dan wil hij daar niet eens in delen. ‘En daarom haast ik me ook mijn toegangskaartje te retourneren. En als ik een man van eer ben, dan kan ik daarmee niet genoeg haast maken. En dat doe ik dan ook. Ik verwerp daarmee God niet, Aljosja, ik retourneer hem alleen allerbeleefdst mijn entreebewijs.’ Zowel Maarten ’t Hart als Ivan wijzen God af, een God die zulk lijden toestaat of zelfs nodig heeft, is het niet waard om te dienen. Deze vorm van atheïsme heet in de theologie het protest-atheïsme. Men gelooft wel dat God bestaat, maar men verwerpt Hem bewust vanwege het kwaad en lijden in de wereld. Deze vorm van atheïsme wordt dan ook eerder ingegeven door morele gevoelens dan door intellectuele twijfel. Veel atheïsten gebruiken het kwaad om aan te tonen dat God niet kan bestaan. In het protest-atheïsme stelt men dat God wel kan bestaan, maar dat Hij het dan in ieder geval niet waard is om gediend te worden en zelfs bestreden moet worden. De vragen die het protest-atheïsme opwerpt zijn dan ook geen makkelijke vragen. Ze komen voort uit morele verontwaardiging en zijn moeilijk met een theoretische rechtvaardiging van God, hoe consistent ook, te weerleggen. In elke poging tot oplossing zullen emotionele en intellectuele argumenten door elkaar lopen. Als christenen kunnen wij niets anders doen dan deze bezwaren theoretisch proberen te ontkrachten en verder heen te wijzen naar Christus. Enkel de Geest kan overtuigen.


3. De bron van het kwaad

3.1 Het kwaad buiten ons
Om een antwoord te vinden op de aanklacht uit de vorige paragraaf, willen we eerst nadenken over de bron van het kwaad. Het is belangrijk dat we dit helder hebben, aangezien juist dit voor een groot deel ons antwoord bepaald. Achter alle verwijten aan het adres van God, zitten vaak verkeerde ideeën. H. Kushner heeft een boek geschreven, getiteld Als het kwaad goede mensen treft. Deze titel verwoordt precies de gedachte die achter al deze verwijten zit. Men gaat uit van eigen onschuld en ziet het kwaad als iets dat de mens overkomt. De mens is goed en onschuldig en niemand heeft het recht om ons rustige leventje te verstoren. Men ziet het kwaad dan ook als een macht buiten hen, die hen belaagt. Het is een macht, die ons dwarszit en beteugelt moet worden. Hiervoor roept men God ter verantwoording. God moet ervoor zorgen dat het kwaad ons niet kan schaden. God wordt in de beklaagdenbank gezet en wij treden op als rechters. De uitkomst is dat God tekort schiet. Dit idee van eigen onschuld, en het kwaad als een macht buiten ons, is mijns inziens de voornaamste bron van veel misvattingen over God en het kwaad. Het christendom heeft dan ook een radicaal andere positie.

3.2 Kwaad als zonde
Het christendom ziet het kwaad in de eerste plaats als iets in onszelf. Het kwaad is geen macht buiten ons, die ons geluk bedreigt, maar het is iets in ons. Kwaad, in de christelijke betekenis, is vooral zonde. Het is zonde van de mens tegen de heilige God. De zonde van de mens is de oorzaak en bron van het kwaad in de wereld en het is diezelfde mens die het kwaad doet. In de eerste plaats waren het Adam en Eva, en daarmee de hele mensheid, die zondigden tegen God en zo het kwaad, ziekte en lijden in de wereld brachten. Ook nu zijn het nog steeds mensen die de gruweldaden begaan. Ook die Turken, die kindertjes martelden, waren mensen. De Bijbel leert dat de mens zich door zijn zonden schuldig heeft gesteld tegenover de heilige God. De mens zondigt tegen God die liefde is en juist daarom geen zonde kan verdragen. De Bijbel leert dat de mens van nature slecht en zondig is en altijd voor het kwade zal kiezen.
Dit christelijke inzicht, dat door de Bijbel geleerd wordt, wordt ook bevestigd door de ervaring. Iedereen is er ondertussen achter dat de verlichtingsidee; ‘open de scholen en we kunnen de gevangenissen sluiten’, niet werkt. Ook de vooruitgang in de wetenschap heeft ons geen stap dichter bij de wereldvrede gebracht. Het is eerder andersom; dankzij technische vooruitgang waren zieke geesten in staat om op nog grotere schaal dood en verderf te zaaien. Wie denkt dat de mensheid nu wel het toppunt van gruweldaden heeft bereikt, vergist zich; er zal altijd iemand zijn die zijn voorganger weer weet te overtreffen. En denk vooral niet dat dit iets is wat alleen anderen kunnen doen. Psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat, als bepaalde sociale remmingen verdwijnen, ook ‘normale’ mensen binnen enkele dagen kunnen veranderen in beulen. Voorbeelden hiervan zijn het ‘Stanford prison experiment en het ‘Milgram obedience experiment’. De tragiek van de zondeval is dat als de mens wordt losgelaten, hij altijd de verkeerde kant op zal vallen.

3.3 De zaken omgedraaid
De visie van een christen en van een niet-christen op het kwaad, is dus precies tegenovergesteld. Het kwaad is geen macht buiten ons, die goede mensen treft. Het kwaad is in de eerste plaats zonde, in ons. Het is zonde tegen de heilige God. Het is niet juist om, zoals Maarten ’t Hart doet, de zonde direct aan God toe te schrijven. Ook Ivan, die meent dat het kwaad nodig is voor de toekomende heerlijkheid, heeft het mis. Het kwaad is er dankzij de mens; God had het niet nodig. De vraag is welk recht we hebben om God iets te verwijten. God is de rechter en wij de misdadigers, niet andersom! Zo bezien is het niet vreemd dat niet-christenen niets begrijpen van wat christenen over God, het kwaad en de verlossing zeggen. De uitgangspunten zijn geheel verschillend. De christelijke boodschap van verlossing komt dan ook niet over.Natuurlijk niet! Wat moeten mensen met verlossing als ze er geen idee van hebben dat ze verlost moeten worden? Dit gebrek aan inzicht in eigen schuld, is tegenwoordig misschien wel een van de grootste hinderpalen voor de verspreiding van het evangelie. Het is de bron van veel misverstanden over de relatie van God tot het kwaad. In de dialoog met het protest-atheïsme zullen we hier moeten beginnen. Enkel vanuit dit gezichtspunt kunnen we verder. Zonder dit inzicht loopt al ons denken over God en kwaad al snel vast.

4. Een antwoord op de verwijten
Ook als we beseffen dat uiteindelijk de mens de bron is van het kwaad, blijven er nog veel vragen over. Op twee van deze vragen wil ik een antwoord proberen te vinden. De eerste luidt: ‘Waarom doet God niets aan het kwaad?’ en de tweede, die daaruit volgt: ‘Waarom maakt God er geen einde aan?’

4.1 Gods almacht
Het meest simpele antwoord op beide vragen is wel om te zeggen dat God er niets aan kan doen. Immers, het is betrekkelijk nutteloos te vragen waarom God er niets aan doet, als blijkt dat Hij er niets aan kan doen. Sommige theologen hebben voor deze oplossing gekozen. God zou bij de schepping een deel van Zijn almacht hebben ingeleverd. Nu het mis is gelopen, kan Hij er ook niets wezenlijks meer aan doen. Dit is volgens ons echter een heilloze weg, letterlijk en figuurlijk. Een god die niet almachtig is, is in het geheel geen god. In dat geval zal dit artikel hier eindigen en onze godsdienst overigens ook. Alle oplossingen voor het probleem van het kwaad, die Gods almacht ontkennen, brengen ons alleen maar verder weg van de waarheid. Met de kerk van alle eeuwen willen we dan ook zeggen: ‘Ik geloof in God de Vader, de Almachtige’ Deze erkenning van Gods almacht plaatst ons echter direct weer terug in het probleem en opnieuw kunnen we beide vragen stellen.

4.2 Waarom doet God niets aan het kwaad?
Als mensen te maken krijgen met het kwaad in hun leven, wordt God vaak ter verantwoording geroepen. Er wordt van God geëist dat Hij een einde aan het lijden maakt. Als dit vervolgens niet direct gebeurt, wordt de conclusie getrokken dat God niets aan het kwaad doet. Het is zeker dat God niet aan al het lijden direct een einde maakt, maar de vraag is of het dan juist is om te concluderen dat God helemaal niets aan het lijden doet. Het protest-atheïsme trekt deze conclusie en stelt dat je, als rationeel en moreel mens, zo’n God niet eens moet willen dienen. Voor een groot gedeelte hebben ze hier ook gelijk in. Een god die het kwaad koud laat, of misschien zelfs wel leuk vindt, is een god die we niet mogen dienen. Zo’n god is een duivel. Het is dan ook niet zozeer de conclusie, dan wel de vooronderstelling die ik aanwil vechten. Is het waar dat God niets aan het kwaad doet? Het antwoord is: integendeel! Het christendom belijdt juist dat God alles aan het kwaad doet, op een nog veel grootsere manier dan wij ooit hadden kunnen denken. Het wezen van het christendom draait juist om vergeving en verlossing van schuld en zonde. Gods antwoord op het kwaad was, dat Hij zijn geliefde Zoon naar de aarde stuurde. Christus leed voor het kwaad en de zonde, die de mens zelf over zich gebracht had, en heeft het kwaad overwonnen. Als men vraagt: “wat doet God aan het kwaad?”, is het antwoord: “Hij zond zijn geliefde Zoon!” Als men vraagt “waar is God tijdens het lijden?”, is het antwoord: “op Golgotha!” Hij deed dat niet voor mensen die het kwaad overkwam en die zelf onschuldig waren. Hij deed het voor de beulen zelf, voor misdadigers en criminelen, voor mensen die tegen Zijn heiligheid hadden gezondigd en Hem de rug hadden toegekeerd. In Christus heeft God een definitief en volledig antwoord op het kwaad gegeven. Als men stelt dat God niets aan het kwaad doet, heeft men nog niets van het christendom begrepen.

4.3 Waarom maakt God er geen einde aan?
De volgende vraag die nu op kan komen is, waarom er dan nog kwaad in de wereld is. Als het kwaad overwonnen is, waarom maakt God er dan geen einde aan? Kan Hij al het kwaad niet met één machtswoord van deze aarde wegdoen? Beseft men echter wel wat men vraagt? Als God een einde moet maken aan het kwaad, betekent het dat hij bij de mensheid zal moeten beginnen. Het kwaad zit immers in de mens zelf. Door de zondeval is de mens zodanig met het kwaad verweven dat het vernietigen van het kwaad in deze wereld het vernietigen van de mensheid betekent. Als ongelovigen aan God vragen om het kwaad weg te doen, vragen ze dus om niets minder dan hun eigen ondergang. De mensheid kan dan ook enkel door het bloed van Christus verlost worden van het kwaad en de zonde. En juist daarom is het niets minder dan Gods genade dat Hij er nog geen einde aan maakt. Nog steeds geeft Hij mensen kans om zich te bekeren en in Christus te geloven. Eens zal Hij er echter wél een einde aan maken, dan zal Christus terugkeren en zal er een einde komen aan alle ellende. De duivel en al zijn volgelingen zullen in de hel geworpen worden en de gelovigen zullen eeuwig leven zonder pijn of ellende. Het antwoord op de vraag waarom God er geen einde aan maakt is dus, dat Hij dat eens zal doen! Alles daarvoor is echter genadetijd en als je Christus niet kent, is dat echt geen moment om naar uit te zien.

4.4 Besluit
Opnieuw hebben we dus gezien dat de zaken precies omgedraaid zijn. Men denkt dat God onmachtig is, niets aan het lijden wil doen en gewoon toekijkt. Niets is echter minder waar. God zelf gaf ons, via Zijn Zoon, een antwoord op het kwaad en het is genade dat Hij het kwaad nog niet vernietigd. De grond hiervan ligt in Zijn onnoemelijke liefde voor Zijn schepping, voor Zijn schepselen, voor zondaren. ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe’(Joh. 3:16). Zo’n God is het voluit waard gediend te worden.

5. Zondag 10
Ten slotte willen we nog stil staan bij zondag 10. Juist deze zondag is voor velen een steen des aanstoots geworden. Maarten ’t Hart las erin dat al het kwaad van God komt en velen lezen er fatalisme in. Al het lijden komt van God en we moeten het dan maar gelaten ondergaan. Toch is dit niet wat zondag 10 leert. Zondag 10 leert dat alles in dit leven niet door toeval gebeurt, maar dat God er de hand in heeft; dat Hij regeert. Juist deze wetenschap maakt dat we niet in het lijden hoeven te berusten, maar dat we juist mogen uitzien naar en vertrouwen op God. Juist omdat het kwaad niet toevallig geschied, kunnen we God ook om verlossing en genezing bidden en kan Hij dat ook schenken. ‘In voorspoed geduldig’ betekent dan ook geen doffe berusting, maar het leert ons om geduld te hebben met God en Hem niet meteen van alles te verwijten. Als beperkte mensen kunnen wij het nut van iets vaak niet inzien en lijkt veel lijden zinloos, wat dat misschien helemaal niet is. Zondag 10 leert ons om ons oordeel op te schorten en op God te vertrouwen, in de wetenschap dat Hij alles ten goede keert en dat we nooit van Zijn liefde gescheiden kunnen worden. Dit was ook de les die Job moest leren: Vertrouw op God, Hij is veel wijzer en groter dan wij zijn, als kleine schepseltjes moeten we het niet beter denken te weten dan God. We kunnen alles gerust aan Hem overlaten. Uiteindelijk blijkt dus juist de God van zondag 10 onze enige hoop in het lijden te zijn. Een God die het waard is om gediend te worden.